|
Botten 2 bekkenbeenderen staartbeen en heiligbeen (os coccygis en sacrum) .5 lendewervels De twee bekkenhelften zijn grote botstukken, waarop de wervelkolom als het ware balanceert. De actieve balans wordt verzorgd door grote spieren die aan het dijbeen, de bekkenhelften en aan de lendewervels vastzitten. Op deze botstukken zitten diverse uitsteeksels waarvanaf deze spieren ontspringen. Zo bestaat een lendewervel uit een wervellichaam, waarachter zich een botring bevindt. Deze wordt de wervelboog genoemd. In de holte van de wervelboog loopt het ruggemerg. Aan de botring zitten zijdelingse uitsteeksels (processus costalis of transversus), het onderste gewrichtsuitsteeksel (processus articularis in fe ri or) , het bovenste gewrichtsuitsteeksel (processus articularis superior) en achteraan het doornvormig uitsteeksel (processus spinosus). De 5 lendewervels staan in een naar voren gerichte kromming en vormen de zogenaamde lumbale lordose. Er is zodoende dus sprake van een enigszins holle onderrug. Gewrichten -symphysis pubjca -SI-gewrichten -wervelgewrichten
De 2 bekkenbeenderen zijn in de symphysis pubica verbonden door vezelig kraakbeen en de discus interpubicus. Normaal is er geen tot zeer weinig beweging mogelijk in dit gewricht. Als gevolg van toegenomen beweeglijkheid, kunnen hier bij vrouwen klachten ontstaan tijdens en/of na de zwangerschap. Aan de achterzijde van het bekken bevinden zich de beide sacro-iliacale (SI) gewrichten. Ook deze gewrichten laten geen tot zeer weinig beweging toe. Op latere leeftijd neemt de beweeglijkheid zelfs af tot "0". De gewrichtsvlakken bestaan uit zeer ruw kraakbeen en de gewrichten zijn omgeven door zeer strak gewrichtskapsel. De SI-gewrichten verbinden het sacrum (heiligbeen) met het bekken. Door de V-vorm wordt het sacrum (in stand) als een wig tussen de bekkenhelften geduwd. Dit komt de stabiliteit ten goede. De hamstrings zijn via het lig.sacrotuberale verbonden met het gewrichtskapsel van de SI-gewrichten. Tussen 2 wervels komen verschillende gewrichten voor die als één geheel functioneren. Er wordt dan ook gesproken van een wervelsegment. Een segment bestaat uit 2 wervels, een tussenwervelschijf (discus intervertebralis) en de twee gewrichten tussen de wervels (facetgewrichten). De discus intervertebralis bestaat uit een stevig buitenste gedeelte (annulus fibrosus), opgebouwd uit stevig bindweefsel en vezelig kraakbeen. De kern van de discus (nucleus pulposus) bestaat uit een zachte, gelei-achtige massa. Boven-en onderkant van de discus bestaat uit kraakbeen (dekplaten), die de verbinding vormen met de wervellichamen. De disci worden tevens op hun plaats gehouden door de ligg.longitudinaleposterior en anterior.De facet gewrichten zijn kleine gewrichten tussen de genoemde bovenste en onderstegewrichtsuitsteeksels.
Spieren m.gluteus maxim us (grote bilspier) m.iliopsoas (grote lendespier) buikspieren m.rectus abdominis (rechte buikspier) m.obliquus intern us (schuine buikspier) m.obliquus extern us (schuine buikspier) m.transversus (dwarse buikspier) hamstrings m.biceps femoris m.semitendinosus m.semimembranosus grote rugspieren (m.latissimus dorsi, m.quadratus lumborum) kleine (intrinsieke) rugspieren, samen de mm.erector trunci
De m.gluteus maximus is o.a. een krachtige heupstrekker (zie b.v. de schaatsers) en zorgt mede voor de balans van de romp t.O.V. het bovenbeen. Dit kan deze spier doen doordat hij ontspringt aan de rand van het bekken, van het lig.sacrotuberale en op het sacrum. Daarnaast zit hij vast op het bovenbeen en de tractus iliotibialis. Deze spier is o.a. actief bij traplopen, opkomen vanuit zit uit een stoel of bij het maken van een "bruggetje" in ruglig. De m.iliopsoas ontspringt aan de zijvlakken van de 12e borstwervel en de 1e t/m de 4e lendewervels en zit vast aan de trochanter minor op het dijbeen. Dit is de belangrijkste spier voor het naar voren optillen van het been. Ook werkt deze spier mee aan het voorover buigen van de romp (maken van een lordose van de onderrug) en bij het maken van de ouderwetse "sit-ups". Bij het maken van een foute sit-up speelt de iliopsoas een belangrijke rol bij het ontstaan van rugklachten. De buikspieren zijn een spiergroep die o.a. zorgen voor het vooroverbuigen (flexie), het zijwaarts buigen (Iateroflexie) en het draaien (rotatie) van de wervelkolom. De buikspieren ontspringen aan het schaambeen (m.rectus abdominis), de bekkenrand (m.obliquus internus en intern us) en het lig.inguinale (m.obliquus externus). De buikspieren zitten vast aan de 5e t/m de 12e rib. Er wordt onderscheid gemaakt in de rechte buikspier, de schuine buikspieren (belangrijk bij rotatiebewegingen en bij het vormen van de taille) en de dwarse buikspieren (belangrijk bij de persbeweging) De hamstrings (m.biceps femoris, m.semitendinosus, m.semimembranosus) worden in deze regio nog genoemd, omdat ze mede via het lig.sacrotuberale mede de stabiliteit van de bekkenregio verzorgen De grote rugspieren in deze regio zijn de m.latissimus dorsi en de m.quadratus lumborum. De m.latissimus dorsi is een grote driehoekige spier die een groot gedeelte van de rug bedekt. Hij zit vast aan de bovenarm (tussen tuberculum major en minor van de humerus) en ontspringt aan de onderste 6 thoracale wervels, van alle lumbale wervels, van het sacrum en van de bekkenrand. Deze spier zorgt voor extensie, adductie en endorotatie van de bovenarm en zorgt voor het naar beneden en achteren trekken van de schouders. De spier is o.a. te trainen m.b.v. de lat pull down, front pull down of "chin-ups" De m.quadratus lumborum ontspringt vanaf de bekken rand en loopt naar de 12e rib en de processus costalis van de 1 e tIm de 3-4e lendewervel. Deze spier zorgt mede voor het zijwaarts buigen van de romp. Tevens is het een belangrijke stabilisator van de lumbale wervelkolom. De kleine (intrinsieke) rugspieren onderscheiden zich in verschillende spiergroepen. Het geheel van deze spieren wordt ook wel de m.erector trunci genoemd. Deze spiergroepen liggen in lagen over elkaar. De verschillende spieren in de bekken- en lumbale regio zijn de m.iliocostalis lumborum (vanaf de bekkenrand naar 5e t/m 12e rib, taak: zijwaarts buigen), de m.longissimus (vanaf het sacrum en tussen de processus costalis van de wervels, de m.sacrospinalis (vanaf het sacrum en tussen de processus spinosi), de m.multifidi (vanaf sacrum en processus costalis naar de processus spinosi, overspannen steeds 2 tot 3 wervels) en de zeer kleine intertransversarii spieren (tussen de verschillende uitsteeksels van de wervels, steeds tussen 2 wervels). Deze spieren werken mee aan het strekken, roteren en Iateroflecteren van de wervelkolom. Alle hierboven genoemde spieren tezamen vormen de actieve stabilisator van het bekken en de lumbale wervelkolom. Een perfecte samenwerking (= coördinatie) is een eerste vereiste voor een stabiele rug. Zwakte van één van deze spierschakels kan gemakkelijk leiden tot overbelasting van andere schakels.Uiteraard is het belangrijk dat je de verschillende spiergroepen kunt onderscheiden en dat je weet welke functies ze hebben en weet hoe je ze moet trainen. Verlies echter het totale (spier)beeld niet uit het oog.
|