ADHD of “Attention Deficit Hyperactivity Disorder” kent de laatste jaren steeds meer belangstelling. Het is nochtans geen nieuwe aandoening. Ook de vraag of de voeding van invloed kan zijn op deze gedragsstoornis bij kinderen is niet nieuw.
Al sinds de jaren twintig van de vorige eeuw wordt hiernaar onderzoek gedaan. Er zijn verschillende hypothesen over mogelijke boosdoeners zoals suiker, kleurstoffen en andere additieven. Ook voedingsmiddelen als dusdanig worden verdacht. Dit laatste kadert in onderzoeken naar een verband tussen ADHD en voedselovergevoeligheid. Ten slotte is de hype over een mogelijk gunstig effect van visolie bij ADHD ook de media niet ontgaan.
Hoewel een aangepaste voeding in sommige gevallen een gunstige invloed lijkt te hebben op de symptomen van ADHD, is er tot op heden geen oorzakelijk verband gevonden tussen ADHD en bepaalde voedingsbestanddelen. Er is voor de verschillende hypothesen ook nog te weinig evidentie om eenduidige en praktische besluiten te kunnen trekken op groepsniveau. Methodologische problemen bemoeilijken het onderzoek en verklaren waarschijnlijk mede de talrijke tegenstrijdige resultaten. In afwachting van meer duidelijkheid inzake voeding en ADHD is het ten slotte niet aangewezen dat ouders zelf gaan experimenteren met de voeding van hun kind. Het risico op voedingstekorten en gezondheidsschade is daarbij te groot.
De relatie tussen voeding en gezondheid is op vele vlakken duidelijk.
In het kader van de preventie en de behandeling van bepaalde
aandoeningen zoals obesitas, diabetes en hart-en vaatziekten heeft de
voeding een vaste plaats verworven. Ook in het geval van
voedselallergieën en voedselintoleranties zoals coeliakie is de relatie
met bepaalde voedingsstoffen duidelijk en is een aangepaste voeding een
belangrijk onderdeel van de therapie. De relatie tussen voeding en
gedragsstoornissen, zoals ADHD, kort voor “Attention Deficit
Hyperactivity Disorder”, is vooralsnog minder duidelijk en wordt nog
ijverig bestudeerd. ADHD of “alle dagen heel druk” ADHD of “Attention Deficit Hyperactivity
Disorder” lijkt steeds vaker voor te komen bij kinderen. Kenmerkend
voor deze gedragsstoornis is een gebrek aan concentratie, impulsiviteit
en hyperactiviteit. Vroeger werden deze kinderen omschreven als
hyperkinetisch. De symptomen van ADHD komen vaak voor bij kinderen maar
zijn daarom nog niet per definitie pathologisch. Een iets drukker kind
wordt al te gemakkelijk en vaak onterecht bestempeld als een kind met
ADHD. Een juiste diagnose is cruciaal. ADHD-kinderen kunnen zich moeilijk concentreren en zijn vlug afgeleid
door allerlei prikkels. Ze hebben moeite met details, raken snel hun
spullen kwijt en doen alles tegelijkertijd. Ze zijn impusief: ze kunnen
moeilijk stilzitten, ze wiebelen en friemelen voortdurend, ze geven
antwoord alvorens de vraag is gesteld, ze handelen zonder na te denken
over mogelijke gevolgen. Sommigen blijven zelfs zeer beweeglijk tijdens hun slaap. De
gedragsstoornissen eigen aan ADHD zijn hardnekkig en storend. De
symptomen houden minstens zes maanden aan in een onaangepaste graad en
zijn niet in overeenstemming met het ontwikkelingsniveau van het kind.
Een acuut optreden van onaangepast gedrag, bijvoorbeeld als reactie op
bepaalde situaties zoals een scheiding van de ouders, een nieuwe school
of het overlijden van een naaste valt buiten het kader van ADHD. ADHD gaat vaak gepaard met andere psychopathologische en lichamelijk
klachten zoals buikpijn, diarree, veel zweten, vaak moe, bloedneuzen,
hoofdpijn of slaapproblemen en verhoogt de kans op verslaving,
criminaliteit en ongevallen. Jongeren met ADHD hebben dikwijls te
kampen met leerproblemen, slordigheid, faalangst en depressie. De
aandoening neemt op volwassen leeftijd andere vormen aan maar verdwijnt
niet. De diagnose moet worden gesteld door gespecialiseerde artsen en
een multidisciplinair team aan de hand van gestandaardiseerde
diagnostische criteria (DSM-IV criteria). De Conners-schaal is een
veelgebruikte, gestandaardiseerde methode om gedrag te beoordelen en
wordt ook vaak gebruikt om de invloed van een interventie te kunnen
nagaan. De prevalentie van ADHD wordt geschat op ongeveer 1 op 20 kinderen.
ADHD zou meer voorkomen bij jongens dan bij meisjes. Hoewel ADHD vooral
de laatste jaren steeds meer belangstelling kent, is het geen nieuwe
aandoening. In vergelijking met vroeger ligt er in onze moderne
westerse samenleving veel meer druk op leren en presteren. Als gevolg
van deze maatschappelijke evolutie komen kinderen met ADHD sneller
zichtbaar in de problemen.
Oorzaken ADHD
ADHD is niet het gevolg van een falende opvoeding, een nog veel
voorkomende misvatting. ADHD wordt voor ongeveer 80 % verklaard vanuit
erfelijke factoren. Uit onderzoek van de afgelopen jaren blijkt dat
waarschijnlijk ook biologische factoren meespelen, zoals een
onevenwichtige aanmaak van bepaalde neurotransmitters (catecholamines)
in de hersenen. Nefaste omstandigheden tijdens de zwangerschap,
bijvoorbeeld alcohol en roken, en vroeggeboorte kunnen een negatief
effect hebben op de hersenontwikkeling met mogelijke gedragsstoornissen
zoals ADHD tot gevolg. Hoewel een aangepaste voeding in sommige
gevallen een gunstige invloed lijkt te hebben op de symptomen van ADHD
(zie verder) is er tot op heden geen oorzakelijk verband gevonden
tussen ADHD en bepaalde voedingsbestanddelen.
Behandeling van ADHD
De precieze oorzaak van ADHD is nog niet bekend. Bovendien is het een
complexe aandoening. Dit maakt dat de behandeling van kinderen met ADHD
niet eenvoudig is en multidisciplinair moet worden aangepakt. Er is tot op heden geen geneesmiddel dat de aandoening geneest. Er is
wel medicatie die de symptomen kan verminderen, bijvoorbeeld rilatine
met als werkzaam bestanddeel methylfenidaat. Een medicamenteuze
behandeling moet blijven samengaan met een intensieve gedragstherapie
gericht naar zowel het kind als zijn omgeving met als doel het contact
en de onderlinge relatie te verbeteren. Begeleiding van de ouders,
onder meer ook op het vlak van opvoeding, is essentieel. Het kind moet
structuur aangeboden krijgen. De grenzen moeten duidelijk omschreven
zijn. Ouders voelen zich vaak machteloos tegenover hun verlangen om hun
ADHD-kind te helpen en blijven hopen op de ultieme “magische”
interventie. Ze zijn dan ook gevoelig voor aanvullende en alternatieve
therapieën (CAM of Complementary and Alternative Therapies). Ongeveer 12 tot 64 % van de ouders met een kind met ADHD zoeken hun
heil in alternatieve behandelingen (bv. biofeedbacktherapie, relaxatie,
yoga). Er is heel wat informatie over de toepassing van dergelijke
therapieën, maar het bewijs dat ze ook effectief en veilig zijn, is nog
zeer beperkt. Bovendien is het vaak moeilijk om het succes van een
therapie te onderscheiden van een natuurlijk verloop of van de
positieve benadering ertegenover van het kind en zijn omgeving. Ook het
terrein van de voeding schept als CAM verwachtingen. Er is onderzoek
naar het effect van zowel de eliminatie als de suppletie van bepaalde
voedingsbestanddelen.
Suikervrij
De hypothese dat suikerrijke voedingsmiddelen en vooral sucrose een
negatieve invloed heeft op het gedrag werd voor het eerst beschreven
door Shannon in 1922. Ook later werd gerapporteerd over nadelige
effecten van suiker op hyperactiviteit en agressief gedrag. De term
suiker slaat hier op toegevoegde suiker. Een meta-analyse van zestien
dubbelblind, placebogecontroleerde studies vond geen wetenschappelijk
gefundeerde redenen om suiker uit de voeding van kinderen met ADHD te
schrappen. Tot de globale onderzoeksgroep behoorden zowel gewone
kinderen als kinderen met ADHD en andere gedragsstoornissen. Ondanks
deze grote variatie waren de resultaten opmerkelijk consistent. Er was
geen bewijs voor de hypothese dat geraffineerde suiker een negatieve
invloed heeft op hyperactiviteit, de mate van aandacht en de cognitieve
prestaties van kinderen. De mogelijkheid van een effect op een bepaalde
groep kinderen kon evenwel niet worden uitgesloten. Desondanks blijven vele ouders overtuigd van de negatieve invloed van
suiker op het gedrag. Bij het grote publiek leeft nog vaak de idee dat
kinderen die te veel suiker innemen energie te over hebben en suiker
bijgevolg leidt tot hyperactiviteit. Dit is echter een misverstand. De
inname van meer calorieën in de vorm van suiker zet niet noodzakelijk
aan tot een groter energieverbruik. Wie meer energie inneemt dan hij
verbruikt, slaat dit op in de vorm van lichaamsvet. Overmaat kan het
risico op overgewicht en daaraan gerelateerde aandoeningen zoals
diabetes en hart- en vaatziekten verhogen. De verwachting dat kinderen van te veel suiker heftig worden kan bij de
ouders ook leiden tot verkeerde interpretaties over contextgedreven
gedrag. Een grotere uitbundigheid op feestjes en op vakanties kan
verkeerdelijk worden gelinkt aan suikerconsumptie. Zelfs indien suiker
zonder medeweten van de ouders wordt vervangen door kunstmatige
zoetstoffen, blijven zij suiker vaak rapporteren als de grote
boosdoener.
Ten slotte is er nog de vraag van de kip of het ei. Heeft de
gedragsstoornis tot gevolg dat de kinderen meer suiker innemen of
bevordert de inname van meer suiker storend gedrag? Bijkomend onderzoek
moet hierin meer klaarheid scheppen.
Kleurstoffen en andere additieven
In 1975 stelde de Amerikaanse arts Feingold vast dat natuurlijk
voorkomende salicylaten en artificiële smaak- en kleurstoffen in de
voeding mede verantwoordelijk waren voor hyperactiviteit en
leerstoornissen bij kinderen. Volgens zijn onderzoek verbeterde het
gedrag bij meer dan 70 % van de onderzochte kinderen nadat zij een
dieet hadden gevolgd dat vrij was van deze bestanddelen. Zijn
onderzoeksmethode vertoonde echter belangrijke gebreken zoals de
afwezigheid van een controlegroep, een onduidelijke omschrijving van de
onderzoekspopulatie, weinig consistente informatie over het dieet en de
dieettrouw en niet-gestandaardiseerde metingen van het gedrag. Meer
wetenschappelijk opgezette vervolgstudies van deze hypothese
(dubbelblind, crossover design) konden geen extra voordeel vaststellen
van het weglaten van de verdachte stoffen naast het normale
placebo-effect. Dubbelblind, placebogecontroleerde crossover studies
die wel een effect van bepaalde additieven konden aantonen hadden
betrekking op kinderen die atopisch waren of wiens ouders allergisch
waren voor bepaalde additieven. De kinderen voldeden bovendien niet
noodzakelijk aan alle diagnosecriteria voor ADHD. Selectiebias is dus
mogelijk. Het meest recente onderzoek naar additieven betreft een onderzoek
uitgevoerd door de Universiteit van Southampton bij drie- en acht- tot
negenjarige kinderen. De onderzoeksgroep vertoonde een breed spectrum
van gedrag, gaande van normaal tot zeer hyperactief. De onderzochte
additieven komen frequent voor in voedingsmiddelen op de Britse markt
die geliefd zijn bij kinderen, zoals snoep, frisdranken en ijs. De
onderzoekers komen tot de vaststelling dat twee mixen van bepaalde
kleurstoffen samen met het bewaarmiddel natriumbenzoaat het
hyperactieve gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden. De vastgestelde
veranderingen waren echter klein en werden niet teruggevonden bij alle
kinderen. Voor kinderen zonder noemenswaardige gedragsproblemen maakt
dit wellicht niet zoveel uit, maar bij kinderen die kampen met
aandachtsstoornissen en die al hyperactief zijn, zou de inname van deze
stoffen ertoe kunnen bijdragen dat afwijkend gedrag problematisch
wordt. Verder onderzoek ter zake is daarom zinvol. Het mogelijk
biologische mechanisme is nog onbekend waardoor er geen oorzakelijk
verband kan worden geclaimd. Meer onderzoek is ook nodig naar het
aparte effect van elk van de additieven die gecombineerd zijn gebruikt
in de studie. Momenteel zijn de bewijzen nog onvoldoende om besluiten
te trekken over mogelijke gevolgen op populatieniveau alsook om de
onderzochte additieven wettelijk te verbieden of hun aanvaardbare
dagelijkse inname (ADI)-waarde bij te stellen. Het is evenmin mogelijk
om de bevindingen te veralgemenen voor andere additieven dan degene die
in het onderzoek zijn gebruikt (E104 of chinolinegeel, E102 of
tartrazine, E110 of oranjegeel S, E122 of karmozijn, E124 of ponceau
4R, E129 of allurarood AC en E211 of natriumbenzoaat). Op basis van deze onderzoeksresultaten formuleerde het Britse “Food
Standard Agency” (FSA) toch al het volgende advies. Indien ouders
vaststellen dat hun kind na consumptie van bepaalde snoepwaren of
frisdranken meer hyperactiviteit vertoont, doen ze er goed aan om na te
gaan of deze producten bepaalde kleurstoffen en bewaarmiddelen bevat- ten. Deze voedingsmiddelen weren, kan een positieve invloed hebben op het gedrag van sommige kinderen. Daarnaast stelt de FSA echter ook dat ouders niet mogen denken dat het
eenvoudigweg vermijden van deze additieven hyperactiviteit zal
voorkomen. Er zijn immers nog vele andere factoren in het spel bij
ADHD. Makkelijker gezegd dan gedaan. De suggestie dat er mogelijk een verband is tussen sommige kleurstoffen
en bewaarmiddelen en ADHD kan ouders ertoe aanzetten hun kind uit
voorzorg op een globaal additievenvrije voeding te zetten. Additieven
mijden lijkt op het eerste zicht eenvoudig dankzij de informatie op het
etiket. Op termijn is het echter niet evident om kinderen een
evenwichtige, gevarieerde en additievenvrije voeding voor te schotelen.
Niet alleen snoepgoed en frisdranken maar bijvoorbeeld ook melkdranken
of yoghurt met vruchtenaroma, verschillende broodsoorten, margarines,
koekjes en allerhande voorbereide producten en sauzen zoals mayonaise
bevatten doorgaans additieven. Sommige zijn ook nodig om de
voedselveiligheid te kunnen garanderen. Andere, zoals kleurstoffen,
zijn vaak minder relevant. Het additievenvrije aanbod is in de praktijk
dus vrij beperkt. Omdat men niet zomaar alles overal kan eten, kunnen
dergelijke drastische voedingsmaatregelen aanleiding geven tot een sociaal isolement. Het is bovendien geen oplossing om bepaalde
voedingsmiddelen met additieven slechts nu en dan toe te staan. Dit kan
niet alleen het gewenste resultaat ondermijnen maar is bovendien geen
consequent oudergedrag wat niet raadzaam is bij kinderen met ADHD. Een additievenvrije voeding toepassen vanuit het idee “baat het niet,
het schaadt niet” gaat niet op. Een kind strenge dieetrichtlijnen
opleggen kan leiden tot belangrijke voedingstekorten die schadelijk
kunnen zijn voor de ontwikkeling en de gezondheid van het kind.
Dergelijke ingrepen mogen daarom enkel worden toegepast op aansturen van relevant, correct, objectief (provocatietesten) en intensief
professioneel advies. Zelf dingen uitproberen zonder dat het nut ervan
duidelijk is vastgelegd, zelfs indien de diagnose van ADHD is
bevestigd, kan meer schaden dan baten.
ADHD en voedselovergevoeligheid
Het veronderstelde verband tussen ADHD en voedselovergevoeligheid is
een uitbreiding van de Feingold- hypothese. Niet alleen
voedingsadditieven en kleurstoffen worden verdacht maar ook meerdere,
vaak ook gezonde, voedingsmiddelen. Onderzoek ter zake gebeurt vooral
door Pelsser verbonden aan het Nederlandse “ADHD Research Centrum”. Het onderzoek naar de relatie tussen ADHD en een eventuele
voedselovergevoeligheid is zeer complex. Alle deelnemende kinderen
moeten voor de start van het onderzoek voldoen aan de criteria voor
ADHD. Gedurende korte tijd volgt het kind een eliminatiedieet. Als het
gedrag hierdoor minstens 40 % verbetert (responder) wordt vervolgens
nauwkeurig uitgezocht op welke voedingsmiddelen het kind reageert. Dit
deel kan ongeveer een jaar in beslag nemen en vraagt dan ook een
intensieve begeleiding. Alleen die voedingsmiddelen die bij herhaalde
provocatie terugval in het gedrag veroorzaken, moeten uiteindelijk
worden vermeden. Aan het einde van de rit eten de kinderen weer alles,
op gemiddeld een vijftal voedingsmiddelen na die voor elk kind anders
zijn. Bij de ene gaat het bijvoorbeeld om druiven, ei, zuivel,
pindakaas en tomaten. Bij een ander om vanille, smaakversterkers en
vis. Volgens Pelsser gaat het vaak juist niet mis bij suiker en
kleurstoffen. Zo’n 60 tot 70 % van alle deelnemende kinderen reageerde
significant op deze aanpak. Zij vertoonden gedragsverbeteringen van
meer dan 50 %. Op het moment dat zij echter weer de te mijden
voedingsmiddelen eten, komen de klachten terug. Over het achterliggende
werkingsmechanisme is nog meer onderzoek nodig. Kinderen die niet reageren op het eliminatiedieet (non- responders)
nemen niet verder deel aan het vervolgonderzoek. Zij mogen gewoon weer
alles eten, uiteraard bij voorkeur gezond, en worden doorverwezen naar
andere vormen van therapie. Het is absoluut niet aangewezen dat ouders zelf gaan experimenteren met
voeding en diëten: daarvoor is de hele materie te complex. Dit soort
onderzoek vereist specialistische kennis en professionele begeleiding.
Er moet worden voorkomen dat kinderen ten onrechte langdurig op dieet
worden gezet.
Visolie en ADHD
De media heeft gretig ingespeeld op allerhande berichtgevingen over een
mogelijk verband tussen omega-3 vetzuren en de pathogenese van
verschillende ontwikkelings- en gedragsstoornissen, waaronder ook ADHD. Essentiële vetzuren en hun langketen poly-onverzadigde derivaten, in
het bijzonder de omega-3 vetzuren EPA (eicosapentaeenzuur) en DHA
(docosahexaeenzuur), spelen een belangrijk rol in de structurele en de
functionele ontwikkeling van de hersenen en vormen een belangrijk
onderdeel van de fosfolipiden van celmembranen van onder meer ook de
zenuwcellen. Ze zouden bovendien een modulerend effect hebben op de
centrale dopaminergische en serotoninergische circuits. Vandaar de
extra belangstelling voor deze vetzuren in het kader van onder meer
ADHD. Sommige studies stellen vast dat het gedrag van kinderen met symptomen
van ADHD verbetert met een supplement van onder meer EPA en DHA. De
relevantie van de vastgestelde gedragsverbetering wordt echter in vraag
gesteld. Bij gedragsonderzoek wordt vaak een minimale verbetering van
30 % gehanteerd vooraleer mag worden gesproken over een klinisch
relevant effect. De vastgestelde verbetering van 9 % in bovengenoemde
onderzoeken ligt hier ver onder. Andere studies vinden dan weer geen effect van een suppletie. Tegenstrijdige resultaten zijn ook hier mogelijk het gevolg
van methodologische problemen. Er is vooralsnog echter geen algemeen
aanvaard bewijs dat visolie een gunstig effect heeft op ADHD.
Verfijning van de onderzoeksopzet is nodig.
In verschillende studies wordt geopperd dat het plasma en de celmembranen van de rode bloedcellen van kinderen met ADHD lagere
concentraties aan bepaalde essentiële vetzuren hebben in vergelijking
met deze van een controlegroep. Dit doet vermoeden dat tekorten mede
aan de basis kunnen liggen van deze problematiek. Als eerste maatregel
dringen zich desgevallend gezonde voedingsgewoonten op. De inname van
EPA en DHA bij kinderen blijkt trouwens in het algemeen ondermaats door
onder meer te weinig (vette) vis op het menu. De algemene aanbeveling
is om 1 tot 2 maal per week vis te eten en regelmatig ook voor vette
vis te kiezen. Het gebruik van supplementen en in het bijzonder van
visolie moet met de nodige voorzichtigheid en steeds onder
professionele begeleiding gebeuren. Te veel slikken kan
gezondheidsrisico’s inhouden.
Voeding en ADHD
Rust, regelmaat en routine zijn trefwoorden in de behandeling van ADHD.
Ze gelden ook voor het voedingspatroon, een factor die elke ouders voor
een groot deel zelf kan controleren. Een regelmatig en gezond
eetpatroon met drie hoofdmaaltijden en twee, welomschreven
tussenmaaltijden is belangrijk en zal op zich ongetwijfeld al bijdragen
tot het algemene welzijn van het kind. De richtlijnen van de actieve
voedingsdriehoek kunnen houvast bieden. Ouders die willen laten nagaan of meer specifieke voedingsingrepen
zinvol kunnen zijn voor hun kind, moeten hiervoor beroep doen op
deskundigen ter zake. Ondanks de drukte van het kind moet toch worden geprobeerd de rust aan tafel te bewaren. ADHD-kinderen kunnen meer dan andere kinderen worden geplaagd door
vreetbuien. Dan wordt een strikt voedingsschema des te belangrijker.
Medicatie kan bijwerkingen geven die met een aangepaste voeding kunnen
worden getemperd. Voldoende vezels in de voeding en probiotica kunnen
mogelijk helpen bij klachten van buikpijn. Bij hyperactieve kinderen met een verminderde
eetlust moet erop worden toegezien dat er voldoende energie wordt
aangebracht om ver- magering te voorkomen. Een aangepaste dosis
methylfenidaat (0,6 mg/kg) zou geen significant effect hebben op de
BMI, het insuline- en het leptinegehalte en bijgevolg ook weinig of
geen invloed hebben op de eetlust.
Besluit
Het onderzoeksdomein van voeding en gedragsbeïnvloeding is boeiend maar
blijkt ook zeer complex, onder meer omwille van talrijke
methodologische problemen zoals de betrouwbaarheid en validiteit van
diagnosetesten, kleine onderzoekgroepen en subjectieve beoordelingen
van het gedrag door ouders en leerkrachten voor en na de interventie.
Mogelijke positieve effecten kunnen ook deels het gevolg zijn van de
toenemende aandacht of discipline van de ouders die er zo goed mogelijk
op proberen toe te zien dat de kinderen zich aan het voorgeschreven
dieet houden. Hoewel er op individueel niveau gunstige effecten zijn
vastgesteld van vooral het weglaten van bepaalde voedingsmiddelen of
-bestanddelen, zijn meer studies nodig om eenduidige en praktische
besluiten te kunnen trekken op groepsniveau. Bovendien tast men nog in
het duister naar mogelijke werkingsmechanismen. Het is in elk geval niet aangewezen dat ouders zelf gaan experimenteren
met de voeding van hun ADHD-kind. Daarvoor is de hele materie te
complex en de risico’s op voedingstekorten en gezondheidsschade te
groot. Als er een vermoeden is van voedselovergevoeligheid, is
gespecialiseerde begeleiding noodzakelijk. Eén regel blijft echter
altijd gelden: elk kind, ook een kind met ADHD, heeft baat bij een
gezonde voeding. Behalve de voeding spelen bij ADHD ten slotte nog tal van andere
factoren mee. Ouders van kinderen met ADHD zijn vaak op zoek naar de
“magische” oplossing. Om hen te behoeden voor nutteloze ingrepen en nog
meer problemen is het belangrijk om hen ervan te overtuigen dat een
succesvolle behandeling van ADHD een samenspel moet zijn van
verschillende ingrepen, zowel op het vlak van de opvoeding als van het
gedrag. Daarnaast kunnen ADHD-kinderen ook baat hebben bij medicatie,
spraakoefeningen en aangepaste fysieke therapie. Een individuele en
deskundige begeleiding zijn onontbeerlijk.
Speciaal dieet verkleint kans op hartziekten Een dieet met een combinatie van visolie, resveratrol (in wijn), lycopene (in tomaten), catechin (in thee) en vitamine E en C verkleint de kans op hartziekten. Dat blijkt uit... Lees verder...
Drankorexia: liever alcohol dan eten Veel vrouwen drinken liever een groot glas wijn dan dat ze wat eten. Dit fenomeen, waarbij vrouwen hun calorie inname beperken tot alleen alcohol, wordt drankorexia genoemd. Vrouwen zijn... Lees verder...
Kinderen hyperactief door kleurstoffen Het wordt al jarenlang vermoed, maar er is nog niet echt gefundeerd bewijs geleverd dat kleurstoffen de oorzaak vormen van druk gedrag. Tot nu toe. Britse onderzoekers hebben met hun data... Lees verder...
Kinderen moeten gezonder leven Te weinig bewegen, teveel snoepen, muisarmen, ademhalingsproblemen, gepest worden en last van een vieze school. Het zijn de belangrijkste uitkomsten van de eerste Ga voor gezond!-test onder... Lees verder...
Kinderdagverblijf kan wiegendood veroorzaken Amsterdam - Jonge baby's die in een kinderdagverblijf worden opgevangen, hebben een aanmerkelijk grotere kans op wiegendood. Dat heeft emeritus hoogleraar kindergeneeskunde Guus de Jonge... Lees verder...
Afwisseling nodig bij groente en fruit Reclamemakers bedienen zich graag van termen als `superfruit` of `supergroente`, bij producten die veel gezonde voedingsstoffen bevatten. Broccoli en granaatappels bevatten bijvoorbeeld... Lees verder...
Westerse voeding niet voor darmkankerpatiënten Patiënten die een operatieve behandeling met aanvullende chemotherapie hebben ondergaan voor dikkedarmkanker stadium-III hebben een verhoogd risico van een recidief of overlijden als hun... Lees verder...
Gerelateerd aan dit artikel
De zoete leugen De controverse rondom aspartaam - het synthetische zoetmiddel - laait weer op. Al zal de consument daar in de supermarkt niets van merken. Het groeiende assortiment voedingswaren dat... Lees verder...
Nieuwe kijk op voedingskwaliteit Geeft verse sla meer energie dan die slappe krop uit de supermarkt? Ja, suggereert onderzoeker Roel van Wijk. "Wij hebben al vastgesteld dat innerlijke kwaliteit invloed heeft op het... Lees verder...
Geraffineerde suiker, het lekkerste gif op aarde In 1957 werd aan Dr. William Coda Marin gevraagd wat het verschil is tussen voedsel en gif. Het antwoord van Dr. Martin was dat medisch gezien onder gif alle substanties worden verstaan die... Lees verder...
Kinderen moeten gezonder leven Te weinig bewegen, teveel snoepen, muisarmen, ademhalingsproblemen, gepest worden en last van een vieze school. Het zijn de belangrijkste uitkomsten van de eerste Ga voor gezond!-test onder... Lees verder...
Lief zijn voor je darmen De darmen van een mens zijn te vergelijken met de wortels van een plant. Wanneer die niet de juiste voeding krijgen wordt de plant ziek en sterft tenslotte af. Met ons huidige overvloedige... Lees verder...
Suiker en zo ..... Het menselijk lichaam is de laatste 40.000 jaar, sinds het ontstaan van de eerste moderne mens, nagenoeg niet veranderd. Het dieet van de mens uit het stenen tijdperk bestond voor meer dan... Lees verder...
De Schijf van Vijf onder vuur Voedingsrichtlijnen hebben tot doel ons zó te laten eten dat we welvaartsziekten zo lang mogelijk op afstand houden. Dan is het op zijn minst raar dat onze Schijf van Vijf op cruciale... Lees verder...
Net binnen gekomen
Overbelasting zorg door huidkanker Het aantal behandelingen van huidkanker stijgt zo snel, dat het onmogelijk is om met de huidige middelen goede zorg te kunnen blijven bieden. Dat blijkt uit... Lees verder...
Hypnose helpt bij prikkelbare darm Hypnose kan een effectieve behandeling zijn bij het prikkelbare darmsyndroom (PDS). Het verlicht bij 40 procent van de patiënten de klachten, zo blijkt uit... Lees verder...
'Je supermarkt bepaalt je gewicht' De supermarkt die je bezoekt om je boodschappen te doen, is van invloed op je gewicht. Dat suggereert nieuw Frans onderzoek. Uit het onderzoek, gepubliceerd in... Lees verder...